Verslag VCC netwerk bijeenkomst op 19 november 2009 in Zwolle met Maaike Schalk
Trauma
is een ander woord voor wond, en is het gevolg van een indringende gebeurtenis, die van buitenaf op een persoon inwerkt en die onvoorspelbaar, onontkoombaar, angstaanjagend en ontwrichtend is. Wanneer er na zo’n gebeurtenis snel gelegenheid is het te verwerken in een veilige omgeving, hoeft een traumatische gebeurtenis geen langdurige, blijvende gevolgen te hebben. De persoon raakt dan weer geïntegreerd. Maar wanneer die veilige omgeving ontbreekt, ontstaat er een langdurige afsluiting voor de emoties die gepaard gaan met de traumatische gebeurtenis. Hierdoor krijgt het lichaam niet het signaal dat het over is. Alle kleine signalen dat er nog gevaar zou zijn blijven een sterke reactie oproepen. Bijvoorbeeld iemand met dezelfde bril als de boosdoener, een bepaalde lichtval die er toen ook was, of een bepaalde beweging. Dit zijn zogenaamde ‘triggers’ die zorgen voor een herbeleving. Ook herinneringen en dromen kunnen tot een herbeleving leiden, waarin ook het lichaam meedoet. Dat wil zeggen dat alle fysieke reacties die bij angst horen op dat moment ook gebeuren.
De kern van een trauma is dat er op het moment dat het gebeurt een volslagen hulpeloosheid is en doodsangst, terwijl er niemand is die helpt en redt.

Gevolgen
Er zijn heel veel verschillende gevolgen na een onverwerkt trauma, zoals problemen in de relatie met zichzelf, problemen in de relatie met anderen, psychische stoornissen en lichamelijke problemen (zie kader 1). Getraumatiseerden hebben gewoonlijk niet alles tegelijk, en de combinaties van symptomen kunnen heel verschillend zijn.

Traumagevolgen

Problemen in de relatie met zichzelf
Onder andere gefragmenteerd geheugen, gebrekkig reflectief vermogen, onvermogen om te voelen, onvermogen om heftige gevoelens te dempen, negatief zelfbeeld, schuldig voelen aan het ervaren van het trauma, aangeleerde hulpeloosheid, groete behoefte aan controle

Problemen in relatie met anderen
Zoals onvermogen om te vertrouwen, omvermogen tot intimiteit en verstoorde seksualiteit, dominant of slaafs gedrag, woede uitbarstingen, projecties

Psychische stoornissen
Bijvoorbeeld dissociatie, depressie, verslavingen, fobieën, automutilatie, suïcidaal gedrag

Lichamelijke problemen
Waaronder concentratieproblemen, hoge bloeddruk, slaapproblemen, pijn in rug en buik, darmstoornissen, plasproblemen, burn-out

De ernst van de gevolgen hangt ook af van de aard van de traumatisering. Hoe erger en langduriger de traumatisering, hoe jonger de persoon en hoe slechter de hechting als kind, hoe ernstiger de gevolgen zijn. In de privésfeer zijn misbruik en mishandeling extra schadelijk, omdat daar twee aangeboren systemen elkaar bestrijden: ten eerste de behoefte van een kind zich te hechten aan zijn verzorgers en naasten, en ten tweede de behoefte zich te verdedigen tegen het kwaad. Wanneer het kwaad komt van die naasten, ontstaat er een onoplosbare situatie. Bovendien moet er worden doorgeleefd alsof er niets aan de hand is. Dit leidt tot dissociatie. Zonder hulp van veilige, deskundige anderen blijft die dissociatie bestaan.

Lichamelijke aanpassing aan gevaar
Bij gevaar reageert het lichaam met een razendsnelle aanpassing van het intern verdedigingssysteem (dit is het limbische systeem). In de hersenen reageert de amygdala op wat de zintuigen waarnemen en zet een reeks van hormoon afgiftes en somatische reacties in gang. De hippocampus is zeer gevoelig voor stresshormomen en voorkomt dat je gaat teveel denken in plaats van in actie te komen. Die acties zijn vechten, vluchten, verstijven of verlammen. Bij verstijven is de persoon niet in staat tot actie maarwel zeer alert. Bij verlammen wordt juist het bewustzijn uitgeschakeld, de persoon wordt duizelig en slap en valt soms zelfs flauw. Bij zeer hoge stress, zoals een trauma, blijft je denkvermogen uit. Anderen zeggen dan tegen zo iemand “maar je had toch dit of dat kunnen doen?”, maar dat kon dus echt niet, omdat je denkvermogen niet meer functioneerde.
Zodra het gevaar is geweken herstelt het lichaam in principe weer, waardoor het weer integreert. De hippocampus helpt om informatie te verwerken, het geeft een ruimtelijke context en tijdsbesef aan herinneringen. Komt er geen signaal dat alles weer veilig is, dan blijft het lichaam in de verdedigingsstand staan: de amygdala blijft hormonen afgeven terwijl er geen direct gevaar is. De hippocampus is zeer gevoelig voor stresshormomen en blijft minder goed werken. De dissociatie die ontstaat, leidt er toe dat er in iemand verschillende personen onderscheiden kunnen worden: de Emotionele Persoon (EP) is het gedeelte van iemands persoonlijkheid die de herinneringen en gevoelens aan de traumatische gebeurtenis meedraagt. Het kunnen er meerdere zijn, bijvoorbeeld de EP die kan vechten en de EP die zich een bang kind voelt. Je ziet deze EP pas wanneer de druk oploopt of als er een trigger is. Daarnaast is er een Ogenschijnlijk Normale Persoon (ONP) die zorg draagt voor het leven van alledag. De ONP en de EP zijn erg bang voor elkaar, en EPs onderling ook.

Implicaties voor coaching
Alle interventies en benaderingen dienen gericht te zijn op integratie. Integratie kan alleen plaatsvinden wanneer het niveau van stresshormonen laag genoeg wordt gehouden zodat de hippocampus kan functioneren. De arousal kan te hoog, maar ook te laag worden. In het eerste geval voelt de coachee zich overweldigd door emoties, heeft spanningsreacties als trillen, is erg waakzaam,  krijgt opdringende beelden en kan last krijgen van obsessieve of malende gedachten. Maar bij een te lage arousal slaat de coachee in feite dicht, kan niet meer voelen en niet meer helder denken, voelt zich verstijfd en verdooft en zakt in elkaar of heeft die neiging. In het gebied tussen deze twee uitersten, het tolerantievenster, kan de coachee blijven denken en voelen. Hoe breed dit gebied is verschilt van persoon tot persoon. Buiten dit gebied kun je niet integreren, want dan heeft het systeem alle energie nodig om de spanning te reguleren. Midden in de comfort zone gebeurt er ook niet zoveel, dus je moet wel een beetje de grenzen opzoeken, zonder er over te gaan.

Gevolg van trauma’s voor veranderprocessen zoals in coaching
In de coaching van iemand met een trauma kun je verschillende zaken tegenkomen. In de eerste plaats de angst van de coachee voor overweldiging door emoties, en zich daardoor radeloos voelen. Als coach is het dan belangrijk juist geen extra contact te zoeken, maar je terug te trekken. Maar wanneer iemand er weer ‘bij’ is, benoem het dan wel, laat merken dat je het gezien hebt. En laat de persoon iets doen dat tegengesteld is aan wat er is: bijvoorbeeld zit iemand erg in elkaar, zeg dan “sta op, beweeg”, of is de persoon wat suffig, zeg dan “kijk even om je heen, wat zie je?”.
Daarnaast kan de coachee soms maar gebrekkig reflecteren op zichzelf, doordat hij of zij niet goed kan vertellen wat hij voelt en wat dat betekent voor hem of haar. Reflecties zijn hierdoor onpersoonlijk. Ook kom je vaak disfunctionele cognitieve ‘waarheden’ (overtuigingen) tegen. Soms heeft de coachee voor zichzelf en de buitenwereld een mooi logisch en rationeel verhaal opgemaakt waar hij in wil geloven. Maar ook komen valse overtuigingen vaak voor zoals ‘het is mijn eigen schuld’, ‘ik ben waardeloos’, ‘als ik iemand nodig heb, is er helemaal niemand voor mij’, ‘ik moet sterk zijn’. Belangrijk is om deze overtuigingen in het hier-en-nu te testen, en niet naar het verleden terug te gaan. Toen was het misschien waar, misschien ook niet. Maar belangrijkste is: hoe zit dat nu?
Verder zullen getraumatiseerde coachees in het algemeen onzekerheid vermijden, met als gevolg dat angstige klachten blijven bestaan. Het opzoeken van de grenzen van de comfort-zone zoals hierboven genoemd is daarvoor belangrijk. Aan de andere kant is het ook belangrijk voorspelbaar en transparant te zijn
Wat je ook kan tegenkomen is aangeleerde hulpeloosheid of juist grenzeloosheid. Bij aangeleerde hulpeloosheid heeft de cliënt volgens het Pavlov principe ‘geleerd’ dat oplossingen niet werkten. Bij grenzeloosheid neemt de cliënt heel veel ruimte in. De overeenkomst tussen beide is dat de cliënt geen verantwoordelijkheid meer neemt voor zijn of haar leven en de keuzes daarin. Als coach is het zaak hier de ‘overlevingskracht’ van de coachee te benoemen en te gebruiken om moed te geven dat verandering mogelijk is. Soms blijven cliënten erg hangen in hun hulpeloosheid en slachtofferschap. Dan ontstaat een terreur van de zwakke, want wanneer mensen hun slachtoffer zijn sterk benadrukken, moet er iemand schuldig zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld de kinderen zijn, die zo met het trauma van hun ouder opgezadeld raken.
Tenslotte zie je vaak een onvermogen om te vertrouwen. Dat uit zich onder andere in onvermogen zich relationeel open te stellen of aan te sluiten, vermijding van persoonlijke aandacht, of achterdocht.

Aanbevelingen voor de houding van de coach

Maaike Schalk had vele aanbevelingen voor ons als coaches. In het algemeen is het belangrijk om een open en aanvaardende houding te hebben. Wees transparant, zeg wat je denkt, wat je wilt en wat je gaat doen. Geef erkenning aan het leven en aan wat al is geleerd. Toon bewondering dat je cliënt nog leeft. Stimuleer geloof in groei en herstel door daar je eigen geloof hierin te demonstreren. Dit kan onder meer door je taalgebruik er één van kracht te laten zijn, in plaats van doorspekt met pathologie.
Benader je coachee altijd voorzichtig. We deden hierbij een oefening waarbij je rondloopt in de ruimte en je moest inbeelden dat in je buik een ballon met scherven zat, waarvan je geloofde dat als die zou knappen hij je schade zou berokkenen. Dan ga je voorzichtig lopen, vermijd direct contact en onoverzichtelijke situaties. Dit ervaart een getraumatiseerde cliënt, en daarom is het belangrijk hem of haar voorzichtig te benaderen. Heb ook begrip voor de moeite die het kost te veranderen.
Verder is het erg belangrijk dat je kan verdragen wat je coachee bij je neerlegt, dat je er niet zelf van in de war raakt maar het in behapbare brokken terug kunt geven aan je cliënt. Communiceer over wat je aan de buitenkant ziet en je nieuwsgierigheid naar hoe het binnenin er uitziet. Geef je cochee autonomie door duidelijk te maken dat hij of zij niets hoeft te doen opdat je hem of haar aardig zou vinden.

Wat kun je vragen bij een vermoeden van trauma?
Geef in ieder geval ruimte om te vertellen, maar ook om niet te vertellen. Je kunt bijvoorbeeld vragen: ‘Is er in je leven iets gebeurd wat nooit had mogen gebeuren?’. Geef, als je cliënt openheid geeft, een korte persoonlijke reflectie en bedank voor het vertrouwen.

Hoe kun je helpen bij het reguleren van de arousal?

In de eerste plaats is het van belang de gevoelens te erkennen. Door je cliënt het tolerantievenster uit te leggen, kan zij er zelf ook meer grip op krijgen. Je kunt je cliënt helpen meer lichaamsbewust te worden, bijvoorbeeld door te laten voelen waar de spanning zich uit in het lijf. Daarnaast is het van belang om voor veilige omstandigheden te zorgen: wees gepast nabij, maar wees ook voorzichtig met lichamelijke nabijheid. Raak nooit aan zonder toestemming, ook niet om te troosten. Wees voorspelbaar en transparant, en laat je cliënt controle houden door keuzemogelijkheden, bijvoorbeeld ‘waar wil je zitten?’, of ‘wil je koffie of thee?’. Check wel het vermogen om grenzen aan te geven. Geef tenslotte gelegenheid om gevoelens weer onder controle te krijgen.

Hoe kun je helpen bij het vergroten van het reflectief vermogen?
In de eerste plaats kun je de coachee leren om zelf vragen te stellen, zoals “wat zou er gebeuren als ….?”. Toon wel begrip voor de angst die dit oproept, ook hier kun je het tolerantievenster voor gebruiken. Om toch verder te kunnen kun je bijvoorbeeld vragen: ‘kun je angst voelen en toch iets doen?’ en: ‘kun je naast die angst ook iets anders voelen?’. Met deze vraag zet je ook de beleving in het hier-en-nu meer centraal, wat vaak helpend is om uit het verleden los te komen. Ook vragen als ‘wat zou er gebeuren als ….’, ‘ben je bereid te kijken /voelen wat er is’ en zo ja ‘mag ik dan nog meer vragen stellen?’ kunnen goede ingangen zijn om angst voor de mentale inhoud die mogelijk bloot komt te liggen bij reflectie te exploreren.
Tenslotte kun je ook passende zelfonthulling geven, en bijvoorbeeld vertellen hoe jij omgaat met boosheid, of wat je doet als iemand te dichtbij komt (maar zonder dat je veel vertelt over je persoonlijke omstandigheden).

Hoe kun je omgaan met slachtoffergedrag?
Zoals gezegd kan slachtoffergedrag sterk aanwezig zijn. Hierdoor wordt heel gemakkelijk overdracht en tegenoverdracht opgeroepen, wat noch voor de coachee noch voor de coach helpend is. Voor de coach is het ook een groot risico dat je dan geen gebruik meer maakt van iemands kracht: hoe kan hij zelf voor zorgen voor zijn kwetsbare plek. De strategie is om de ervaringen van machteloosheid te herkaderen, en ook inzicht te geven in relatie dynamieken. Maar belangrijke maatregelen liggen in je eigen professionele gedrag: wees geen redder van het zwakke, wees geen liefhebbende ouder en ook geen kritische ouder. Erken de overdracht en tegenoverdracht bij jezelf, en zoek daar eventueel hulp (supervisie) voor.

Wat zijn belangrijke signalen voor jezelf als coach?
Wanneer je werkt met coachees met een trauma, kan het je gebeuren dat je meer dan gemiddeld bezorgd raakt over je coachee, hem of haar misschien zelfs wilt redden. Ook gevoelens van onmacht kunnen opkomen: ‘wat ik ook probeer, het verandert niet’. Daardoor kun je merken dat je onzeker raakt over je eigen deskundigheid, en dat je zelf hard gaat werken. Als je last krijgt van dit soort zaken, is het echt tijd om zelf hulp te zoeken en eventueel zelfs de coachee over te dragen.
Ook is het van belang steeds de voorwaarden voor een succesvol coaching traject in de gaten te houden: is de coachee gemotiveerd, kan de coachee zich openstellen voor ervaringen in het hier-en-nu en durft zij de eigen binnenwereld te verkennen. Heeft de coachee de vaardigheid om leerdoelen te stellen en de durf om te experimenteren en dus kwetsbaar te zijn. Is er een goede werkrelatie zodat je kunt samenwerken? Als je merkt dat aan deze voorwaarden niet voldaan wordt, en het lukt niet ze alsnog te realiseren, dan moet je het coachingtraject stop zetten en andere hulp adviseren.
Wie is Maaike Schalk?
Maaike Schalk heeft sinds 1993 een eigen praktijk voor pastorale traumatherapie, met als specialisatie trauma’s door sexueel misbruik. Toen diverse van de door haar begeleide cliënten zelf hulpverlener wilden worden, zag Maaike met vreugde de mogelijkheden en met bezorgdheid de valkuilen van deze categorie aankomende hulpgevers, met name op het gebied van grenzeloosheid en de overdracht/tegenoverdracht dynamiek. Als één van de leidinggevende personen binnen dit werk heeft ze toen initiatief genomen om deze groep te coachen. Om zichzelf professioneel te ontwikkelen én om het pastorale begeleidingswerk verder te professionaliseren heeft ze de opleiding tot supervisor en coach gevolgd aan de CHE te Ede. Sinds 2006 is zij ook zelfstandig supervisor/coach.
Naast haar werk als coach en supervisor geeft Maaike spreekbeurten en workshops  en verzorgt zij de woensdagmorgenoverdenkingen bij een christelijk radiostation.  Haar website is http://samma.filternet.nl.

Tekst verslag: Carine Coehoorn

Interessant? Deel het met anderen:
  • Digg
  • del.icio.us
  • Technorati
  • StumbleUpon
  • eKudos
  • NuJIJ
  • Symbaloo
  • Live
  • TwitThis
  • LinkedIn
  • email
  • Print

Reacties

Wat is uw mening? Laat het ons weten.