nov
19
Deugden voor coaches
Gepubliceerd in Christen Coaches, netwerk bijeenkomsten
Een deugd-ethische benadering: wat kunnen coaches ermee?
Lezing voor de VCC door Dr. Bram de Muynck op 19 november 2008
Dr. Bram de Muynck is vorig jaar aan de VU in Amsterdam gepromoveerd op het onderwerp Spiritualiteit bij leraren in het basisonderwijs. Hij is lector aan de Hogeschool De Driestar in Gouda en is ook docent supervisiekunde in Ede. Op allerlei niveaus heeft hij zich beziggehouden met begeleiding en spiritualiteit.
Deugdenethiek is zinvol in de beroepspraktijk
De vraag hoe gelovig zijn tot uiting komt in het begeleiden van mensen houdt Bram al heel lang bezig. Deugdenethiek is voor hem zinvol in de beroepspraktijk:• Het vormt de achtergrond van zijn denken in begeleiding en supervisie
• Het geeft inzicht in hoe mensen gevormd worden. Bram gebruikt het bijvoorbeeld bij de begeleiding van stages van leraren
• Het is verbonden met spiritualiteit. Het geeft een begrippenkader waarmee je in de beroepsidentiteit van personen iets kan
Coachen heeft te maken met mensen die handelen op de werkvloer. Handelen is altijd verbonden met persoonlijke keuzes: hoe ben je daarin verantwoordelijk? Handelen is ook moreel geladen: je handelt in relatie tot anderen. Het is niet om het even wat je doet – je moet beslissen terwijl er geen protocol voor is. Tenslotte vindt handelen altijd plaats binnen een context. Je neemt beslissingen onder invloed van tal van factoren om je heen.
Hoe kun je een deugd definiëren?
Deugden worden gezien als voortkomend uit het verlichtingsdenken. Van Tongeren denkt na over deugden in de lijn van Plato en vooral Aristoteles. Zij zien een deugd als een bepaalde gezindheid, een houding die te maken heeft met keuzes. Er wordt verondersteld dat keuzes die gemaakt worden, te maken hebben met eerder gemaakte keuzes. Het is belangrijk als coach om te beseffen dat degene die je voor je hebt, altijd mede bepaald wordt door eerder gemaakte keuzes.
Een deugd zoekt altijd het juiste midden. Zoals in de bijbel staat: maak keuzes naar de maat van de verstandige.
De klassieke deugden van Plato zijn:
- Moed of dapperheid
- Matigheid of bezonnenheid
- Rechtvaardigheid
- Verstandigheid
Iedere beroepsgroep heeft ook zo zijn eigen deugden, namelijk datgene wat men over het algemeen verstandig vindt om te doen in dat beroep.
Kenmerkend voor de deugdenbenadering:
- in een deugd wordt gestreefd naar het juiste midden. Wat dat is moet iedere keer
opnieuw vastgesteld worden
- Je zoekt naar goede voorbeelden. Deze voorbeelden worden gezien als een gestalt, een eenheid die niet precies in deelhandelingen uiteen gelegd kan worden. Toch weet je wat goed is en wat minder goed. Bijvoorbeeld een goede sporter, waaraan anderen zich spiegelen.
- Er wordt gestreefd naar excellentie. Een deugd is niet een karaktereigenschap, maar iets wat je moet oefenen, wat je pas in de levensgang ontwikkelt. Keuzes leiden tot steeds betere keuzes.
- In de praktijk zijn er normen, die bepalend zijn waarnaar je je richt. Je kunt niet in je eentje deugdzaam zijn; dat doe je met zijn allen. De gedeelde praktijk brengt de normen voort.
Voor iedere beroepspraktijk kun je deugden ontwikkelen, en doorgaans bestaan er al waarover consensus is. Bram heeft geprobeerd dat voor het onderwijs te doen. Daar is een centrale deugd: gerichtheid op vorming, met als centrale waarden: wekken van interesse, narrativiteit en verbeelding, presentie (dat betekent dat op grond van de relatie iets kan groeien) en eerbied. Voor andere beroepspraktijken zijn andere deugden te identificeren.
Deugd en bekwaamheid, competentie, gaven, persoonlijke eigenschappen
Iedere klant heeft bepaalde grenzen. Deze kan je als coach niet overzien. Het is de kunst daar zicht op te krijgen. Hiervoor worden verschillende benaderingen gebruikt.
Een manier is door persoonlijkheidstypen te onderscheiden, die je kunt meten met eigenschappentesten. De bekendste daarvan is de Big-5:
(a) extravert versus introvert
(b) vriendelijkheid versus vijandigheid
(c) emotionele stabiliteit versus neuroticisme
(d) zorgvuldigheid (gewetensvol) versus gemakzucht
(e) mate van openheid voor ervaringen/intellect/creativiteit
Het idee hierachter is dat als je eigenschappen meetbaar kunt maken, je er mee kunt werken. Volgens Bram is deze benadering maar voor een deel effectief.
Een andere benadering is denken in competenties. Dit zijn clusters van kennis, vaardigheden en houdingen binnen een pragmatisch kader. Toetssteen zijn kritische situaties die je al dan niet aankan. De nadruk ligt op bekwaamheden – in het onderwijs ligt hier een verwaarlozing van kennis op de loer.
Een derde benadering is denken in gaven en talenten. Volgens Bram wordt in christelijke kringen de gelijkenis van de talenten te gemakkelijk uitgelegd als dat je moet woekeren met je gaven en talenten en deze moet exploiteren. Maar in de gelijkenis staan de talenten in het kader van het Koninkrijk van God. Dus je ontvangt gaven van God om deze in te zetten voor anderen. Dat is iets anders dan dat exploiteren wat in jezelf zit.
Tenslotte de benadering van de deugdzaamheid. Volgens de rooms-katholieke leer zitten deugden vanaf de geboorte in de mens. De protestanten leren dat de mens vanuit zichzelf niet goed is, maar dagelijks van God ontvangt wat hij nodig heeft om goed te kunnen doen. Aristoteles zegt dat een mens voorbestemd is om bepaalde keuzes te maken (predispositie). De leer van de deugdzaamheid zegt eigenlijk dat een mens een bepaalde houding ontwikkelt door de keuzes die hij of zij maakt. Die houding is een gerichtheid van het hart. Voor Bram is daar de link met spiritualiteit.
Nadelen van schillenmodellen die bij begeleiding vaak worden gebruikt.
Schillenmodellen hebben in de begeleidingskunde een belangrijke praktische waarde. Ze verhelderen bijvoorbeeld keuzemogelijkheden: waar steek ik op in? Een bekend schillenmodel is van Korthagen (vaak onterecht toegeschreven aan Bateson):
(1) Gedrag: wat doe ik – in de context
(2) Bekwaamheden: wat kan ik
(3) Overtuigingen: wat is mijn meningen
(4) Identiteit: wie ben ik
(5) Spiritualiteit: waartoe ben ik. Dit heeft altijd met eenheidsbeleving te maken: waar ga ik helemaal voor
Het belangrijkste probleem zit hem in denken in termen van kern/diepste laag. Je mag natuurlijk spreken van ‘het diepste in mij’ in de zin van Ps. 139. Het gaat dan om je geborgen, gedragen weten. Maar in het schillenmodel:
• Zit de suggestie van het individuele. We zijn echter relationeel gericht. Dit wordt in schillenmodellen maar ten dele goedgemaakt door de relatie met de context er in te tekenen. Juist op dit punt heeft deugdenethiek een meerwaarde.
• Zit de suggestie van de gave kern: volgens Bram is er geen gaafheid an sich. Hierin heeft het schillenmodel een Gnostische insteek: er is een hogere, geestelijke werkelijkheid (in je) waar je het van moet hebben. Gevaar is dat het intuïtieve maatgevend is. Beschaafde mensen kunnen op grond van intuïtie geweld legitimeren (dat is heidendom).
• Zit de suggestie van de normloosheid (het Freudiaanse es – wat zo veel mogelijk moet kunnen stromen). Bezwaar is dat er in de realiteit is altijd een externe norm waar je toe moet verhouden. Deze zijn: de praktijknormen van het beroep, en de normen van de ethiek.
• Is spiritualiteit een eenheidsbeleving. Bram vindt transcendentie wel belangrijk, maar transcendentie wordt gevoed in de situatie zelf. Hij spreekt het liefst van beroepsspiritualiteit: waar geniet je van, waar leer je op, enzovoort. Zo kom je kernwaarden op het spoor, oftewel de deugden in de deugdethische manier van spreken.
• Is de vooronderstelling dat reflectie op de kern leidt tot transformatie: het zet mensen op een ander plan. Daarom is men er zo enthousiast over. Het is wellicht meer therapie dan werk. Men vindt dat ‘coaching volgens de methodiek van kernreflectie een manier van zijn is’. Braam vraagt zich af: gaat het nog over het werk? Wordt er voldoende rekening gehouden met de rollen die iemand inneemt, de taken die hij moet doen? Het spreken over verlangens e.d. is niet altijd aan de orde.
Hoe kun je de deugdethische benadering in coaching toepassen?
Bram ziet een keur aan mogelijkheden, waarvan hier een opsomming:
Iemands verhaal is een geheel. Je hoeft niet ingewikkeld te doen met de lagen. Deugden liggen altijd dicht bij de ervaring: mijn praktische vraag/dilemma en de vraag wat goed is om te doen.
Je bent zelf een voorbeeld in de manier van optreden door excellent te zijn in de manier waarop je optreedt. Denk bijvoorbeeld aan: werken aan jezelf, niet bot zijn etcetera.
Er is altijd een voorbeeld beschikbaar in ieders omgeving. Hier kun je de coachee op bevragen.
De deugdenethiek helpt in het genuanceerd denken over professionaliteit. Beelden bij professionaliteit zijn vaak zakelijk, protocolmatig. Vaak moet hier strak aan vastgehouden worden en de discipline daarvan onder de aandacht worden gebracht. Anderzijds gaat het in professioneel handelen meestal om het nemen van verstandige beslissingen in deze specifieke situatie. Er zijn positieve mogelijkheden om met elkaar om te gaan, die
verder gaan dan alleen maar het keurige protocol van de gesprekscyclus en het evaluatiemodel. Professionaliteit wordt vaak in verband gebracht met het op orde hebben van de protocolllen. Goed voorbeeld zijn is belangrijker dan elkaar ergens op aanspreken, of elkaar ergens op afrekenen (termen van professionalisme). Voor mij is professionaliteit die gevoed is vanuit de deugd of kernwaarde vorming, dat we er steeds voor elkaar zijn als mens en dat iedere situatie een latente vormingssituatie is.
Uiteraard is de deugdenethiek ook van nut voor je eigen deugdzaamheid als coach: welke interventie zal ik kiezen? Wat weegt in deze
situatie het zwaarst? Het gaat hier dus om een algemenere toepassing van de deugdenethiek: het nemen van verschillende perspectieven en de keuzes hiertussen. Opmerkingen hierbij: in het Nederlands vormingsbegrip zit de autonomie of zelfsturing ingebakken. Dit is ook heel sterk in de Nederlandse/Westerse begeleidingstraditie. Je wordt niet gevormd zoals een pot bij de pottenbakker, maar je ontwikkelt door middel van keuzes en onder invloed van factoren en actoren uit je omgeving. Deugdenethiek leert ons dat zelfsturing niet altijd centraal hoeft te staan.
Niemand is af; iedereen is levenslang aan het leren. Begeleiden is meewandelen op de levensweg, toegespitst op de rol die werk op deze levensweg speelt.
De situatie verandert steeds; er moet steeds beoefend worden aan de geldende deugden. Daarin liggen deugden dicht bij competenties.
Gericht zijn op het positieve. Deugdzaamheid is ook altijd concreet. Gericht zijn op het goede voorbeeld: zoals ik een tijd geleden vorige week hoorde in de radioreclame over de zgn hoofdcollecte. Het ene spotje vertelde wat de hoofdcollecte inhield, het tweede spotje, net na het nieuws vertelde een mevrouw waarom ze gaf en ook hoeveel ze gaf: vier euro. Uit deze casus blijkt wat belangrijk is aan een voorbeeld geven aan
elkaar:
• het moet heel concreet worden; geen abstracties geen mooie woorden; gewoon vier euro
• het kan alleen concreet worden in specifieke situatie, met nieuwe kenmerken, die je van te voren niet weet. Daaruit blijkt dat je bij de verbetering van het klimaat in je instelling het niet moet zoeken in regels maar in de beoefening van je eigen grondhouding
Iedere situatie is een latente oefensituatie. Zo is het niet voorspelbaar in regeltjes en afspraken dat je een professionele en christelijke cultuur hebt met elkaar
Tenslotte nog een paar theologische opmerkingen
Bram vindt het sterke van een deugdenbenadering dat je de deugd beoefent met je hele persoon; met je hele christen-zijn. Je bent niet half maar in zijn geheel gerechtvaardigd. Je veronderstelt niet een goede entiteit in de mens die zich gaandeweg steeds beter ontwikkeld. Hierin verschilt de deugdenbenadering van de RK en protestantse traditie.
De grondhouding is in de kern de gerichtheid op de ander: oog hebben voor de belangen van de ander. Dat is iets anders dan ongezonde zoetsappigheid, elkaar de hand boven het hoofd houden ook op momenten als het juist niet moet. Nee, integendeel. Als je het goede met de ander voor hebt dan zullen er ook momenten zijn dat je de ander confronteert. De ander zal dan eerst ervaren dat je wezenlijk geïnteresseerd bent in zijn welzijn.
Deugdenbeoefening is vanuit een christelijk perspectief ‘navolging van Christus’. Ik heb me vooral in problematische opvoedingssituaties vaak afgevraagd op welke manier dat concreet te maken is. Kern voor begeleidingen: aandachtige betrokkenheid op de ander en daarin ook eens even stil kunnen zijn; niet gericht zijn op het ontvangen, maar op het geven.
In Jakobus 3 gaat het over ‘wijze zachtmoedigheid’, dit staat tegenover ‘bittere naijver en zelfzucht’. Jacobus stelt in dit hoofdstuk steeds aan de orde dat er een keuze is tussen twee houdingen: op de ander gericht zijn met jaloezie en naijver, of vredelievend en mild. Deugdenethisch vertaald gaat het dus om de kern van onze houding (gezindheid). Dit vereist zelfreflectie: waar gaat het mij om? Wijsheid is in de situatie te bepalen welke keuze ik moet maken. Dat vergt beoefening: door goede, excellente voorbeeld voor ogen te houden verandert je houding – je gezindheid. Er gebeurt wat, maar je weet niet hoe.
Van een houding van vrede stichten gaat iets uit. Je kunt dat vergelijken met vruchten die verspreid worden: je weet niet waar het landt. Het is uiteindelijk onbeheersbaar.
Dr. Bram de Muynck is vorig jaar aan de VU in Amsterdam gepromoveerd op het onderwerp Spiritualiteit bij leraren in het basisonderwijs. Hij is lector aan de Hogeschool De Driestar in Gouda en is ook docent supervisiekunde in Ede. Op allerlei niveaus heeft hij zich beziggehouden met begeleiding en spiritualiteit.
Voor de samenstelling van dit artikel gaat onze dank uit naar het verslag van Hanneke den Boer-Bolhuis en het verslag van Bram Muynck. Eindredactie Carine Coehoorn.
Reacties
Wat is uw mening? Laat het ons weten.
